Doe de oppas test

Doe de oppas test

De oppas test

Oppassen is niet voor iedereen weggelegd. Doe de oppastest om erachter te komen of oppassen voor jou de juiste baan is!

Vraag 1. Je bent aangekomen bij het gezin thuis. De kinderen zijn Tim (2 jaar), Lisa (5 jaar) en Henry (7 jaar). Nadat de ouders zijn vertrokken, begint Tim heel hard te huilen. Wat doe je?

  • A) Je troost hem en haalt wat speelgoed om hem af te leiden.
  • B) Je knuffelt hem en zegt: ‘papa en mama komen zo terug’.
  • C) Je belt gelijk de ouders op en vraagt aan hen wat je moet doen.
  • D) Je laat hem huilen totdat hij moe wordt. Kinderen horen nou eenmaal te leren om zonder hun ouders te zijn.

Vraag 2. Het is tijd voor avondeten. Je zit met de kinderen aan tafel, maar Lisa is een moeilijke eter. Ze houdt haar lippen stijf en weigert dan ook om iets te eten.

  • A) Je dwingt Lisa niet, maar je zegt dat zij dan ook geen toetje krijgt wanneer ze haar bordje niet leeg eet.
  • B) Je dwingt Lisa niet, maar je zegt dat zij na het eten een extra toetje krijgt wanneer ze haar bordje leeg eet.
  • C) Je vraagt Lisa om het toch eens te proeven. Als zij het niet eet, laat je haar toch met de anderen van tafel gaan.
  • D) Je laat Lisa pas van tafel gaan, wanneer zij haar bord helemaal leeg heeft gegeten.

Vraag 3. Je kijkt samen met de kinderen tv. Je favoriete programma draait, maar de kinderen willen een tekenfilm zien.

  • A) Je zegt dat het je favoriete programma is en dat je het niet kan missen.
  • B) Je laat lekker jouw programma aan staan. Jij bent nu eenmaal de baas, wanneer de ouders weg zijn.
  • C) Je probeert de kinderen af te leiden door hen iets anders te laten doen, zodat jij je programma kan kijken.
  • D) Geeft niet. Je kan gerust een keertje je favoriete programma missen.

Vraag 4. Toen jij op de wc zat, heeft Henry op de muur getekend.

  • A) Je pakt hem hardhandig beet en stuurt hem direct naar zijn kamer toe.
  • B) Je haalt je schouders op. De ouders lossen dit zelf maar op wanneer zij thuis zijn.
  • C) Je blijft kalm en probeert de boel schoon te maken.
  • D) Je laat Henry schoonmaken.

Vraag 5. Het is bedtijd voor de kinderen, maar ze willen nog niet naar bed.

  • A) Je wordt boos en schreeuwt dat ze onmiddellijk naar bed moeten gaan.
  • B) Je zegt dat ze mogen opblijven, maar wel in hun kamer moeten blijven.
  • C) Je belooft ze een verhaaltje voor te lezen, als ze naar bed gaan.
  • D) Je laat hun tv kijken in de hoop dat ze in slaap vallen.

Vraag 6. Je bent lekker tv aan het kijken, en je hoort Tim huilen, omdat hij mama en papa mist.

  • A) Je gaat naar boven toe en probeert hem af te leiden door een boek voor te lezen.
  • B) Je belt onmiddellijk zijn mama op en zegt dat ze snel thuis moet komen.
  • C) Je schreeuwt dat hij nu moet stoppen met huilen.
  • D) Je negeert het gehuil van Tim en doet het geluid van de tv wat harder aan.

Vraag 7. De ouders zijn te laat en komen uiteindelijk een uur later thuis dan vooraf is afgesproken, zonder iets gezegd te hebben.

  • A) Je zegt dat het absoluut geen probleem is.
  • B) Je gaat weg op het afgesproken tijdstip, nog voordat de ouders thuiskomen. Een afspraak is eenmaal een afspraak.
  • C) Je bespreekt de situatie met de ouders. Het is niet de bedoeling dat dit iedere keer voorkomt.
  • D) Je dreigt om de volgende keer weg te gaan op het afgesproken tijdstip, wanneer ze dan thuis zijn of niet.

De antwoorden

  • Vraag 1: A of B
  • Vraag 2: A of C
  • Vraag 3: D
  • Vraag 4: C
  • Vraag 5: C
  • Vraag 6: A
  • Vraag 7: C

Meer tips ontvangen?